Inhoudelijke vraag over onze boeken en tests

Op de productpagina's vindt u de belangrijkste informatie over onze tests en boeken. De meest gestelde vragen over onze producten hebben we hieronder beantwoord. Selecteer hieronder waar uw vraag precies over gaat.

  • ADOS-2
  • IDS-2
  • SON-R 6-40
  • SON-R 2-8
  • Algemene vragen SON-R tests
  • d2 Aandachts- en concentratietest
  • BRIEF vragenlijsten
  • SCIL
  • Testgebruik en kwalificatieniveaus

Vragen over de ADOS-2 - Autisme diagnostisch observatieschema

1 Waar vind ik informatie over ADOS-2 trainingen?
In Nederland worden regelmatig trainingen over het gebruik van de ADOS-2 gegeven door verschillende organisaties. Deze trainingen worden gecoördineerd vanuit Accare Opleidingen. Lees er hier meer over.

2 Moet ik de hele ADOS-2 testkit aanschaffen als ik maar één module gebruik?
Ja, u dient altijd de hele testkit met spelmaterialen aan te schaffen. Veel materiaal wordt in meerdere modules gebruikt. Naast de testkit kunt u wel los de moduleboekjes kopen van de module die u wilt gebruiken.

3 Wat houdt de ADOS-2 peutermodule in?
De ADOS-2 Module voor peuters (Module P) is bedoeld voor kinderen tussen de 12 en 30 maanden. Module P bestaat uit 11 activiteiten met 41 bijbehorende items. Voorbeelden van activiteiten zijn bellenblazen, aandacht vragen, gedrag imiteren en een pop in bad doen. Elk item wordt door de onderzoeker gescoord volgens gestandaardiseerde regels die onder elk item in het moduleboekje staan.
Een ouder/verzorger met wie het kind zeer vertrouwd is, dient bij de afname van Module P aanwezig te zijn. Dit is belangrijk omdat bij Module P van kinderen verwacht wordt dat ze regelmatig contact maken met hun verzorgers. Bovendien zal het kind meer op zijn of haar gemak zijn als de ouder/verzorger aanwezig is.
Er wordt in deze nieuwe module vanuit gegaan dat het kind weinig tot geen gesproken taal kent. De module kan gebruikt worden bij volledig non-verbale kinderen, kinderen die enkele woorden of woordbenaderingen kennen en bij kinderen die soms eenvoudige zinnetjes gebruiken. Bij peuters die regelmatig zinnen van drie woorden of meer gebruiken, wordt Module 2 aangeraden.
Goed gebruik van de Module voor peuters vergt, net als bij de andere ADOS-2 modules, het flexibel kunnen schakelen tussen modules, aan de hand van de leeftijd van het kind en het expressieve taalniveau. De gebruiker moet uitgebreide ervaring hebben in het werken met jonge kinderen met uiteenlopende mentale vaardigheden. Het gaat dan zowel om normaal ontwikkelende kinderen, als om kinderen met non-spectrum ontwikkelingsstoornissen en kinderen met autismespectrumstoornissen (ASS). Algemene ervaring met het werken met dreumesen en peuters is ook heel belangrijk bij het werken met de Module voor peuters.

Vragen over de IDS-2 intelligentie- en ontwikkelingsschalen voor kinderen en jongeren

1 Kun je ook alleen het onderdeel executieve functies afnemen?
In de testinstructies staat dat deze subtest alleen afgenomen mag worden wanneer subtest 3 Twee kenmerken doorstrepen en subtest 15 Woorden noemen al afgenomen zijn. Het idee hierachter is dat bij subtest 16 twee taken tegelijkertijd moeten worden uitgevoerd waarvoor het handig is dat het kind al geoefend heeft met de twee taken en daardoor goed bekend is met deze taken. Het probleem is dat subtest 3 Twee kenmerken doorstrepen onderdeel uit maakt van het intelligentiegedeelte.

Gebruikers wordt nu het volgende aangeraden:

  • Zorg ervoor dat het kind de testopgave van 3 Twee kenmerken doorstrepen goed begrijpt. Controleer dit aan de hand van de oefenopdrachten van 16 Aandacht verdelen. Eventueel (maar dat is niet verplicht) kunt u, wanneer u denkt dat het kind de opgave niet goed begrijpt, het kind laten oefenen met subtest 3. U hoeft dit onderdeel dan niet te scoren, maar u verbruikt natuurlijk wel een testformulier. 

2 Is de IDS-2 al beoordeeld door de Cotan?
De IDS-2 is door ons eind 2018 ter beoordeling aangeboden bij de Cotan. Hoe lang het duurt om deze test te beoordelen is volledig afhankelijk van de beschikbaarheid van de beoordelaars en het aantal tests dat ter beoordeling is aangeboden. Onze ervaring is dat een beoordeling 9-18 maanden kan duren. 

Vragen over de SON-R 6-40 niet-verbale intelligentietest

1 Hoe ga ik om met significante verschillen tussen subtests?
Het is goed om er bewust van te zijn dat verschillen tussen subtestscores normaal zijn en zeker niet uitzonderlijk of reden om de testuitkomsten in twijfel te trekken. Naarmate de betrouwbaarheid van de subtest toeneemt zullen de geconstateerde verschillen eerder significant zijn. Als de verschillen erg extreem zijn dan is het natuurlijk wel goed om je af te vragen of daar een specifieke verklaring voor is die de uitkomst van een of meer subtests minder valide maakt.
De verklaring zou kunnen liggen in een ongunstige testsituatie (lawaai, onderbreking), verminderde motivatie of concentratie, of specifieke eigenschappen van de deelnemer. Zo bleek bij het normeringsonderzoek dat bepaalde groepen allochtonen relatief lager scoorden op Mozaïeken en Patronen.
Bij extreme verschillen tussen de subtests is het goed daar melding van te maken (zonder dat hier een diagnostisch oordeel aan wordt verbonden) en verder gewoon het IQ te berekenen en interpreteren. Indien met reden getwijfeld wordt aan de validiteit van de afname van een subtest dan kan deze bij de berekening van het IQ buiten beschouwing worden gelaten.

2 Waarom krijgt een volwassene die op Patronen alles goed doet, toch niet de maximale score?
Dit is het gevolg van een plafondeffect bij de oudere leeftijdsgroepen. Bij kandidaten tot 18 jaar is dit effect niet zichtbaar, maar bij oudere kandidaten wel.
Doordat relatief veel volwassenen bij Patronen de maximale score halen, is het bij hen moeilijker om te differentiëren tussen de hoogste IQ-scores. Het gevolg is dat de maximale genormeerde score op Patronen voor volwassenen 13 is.
Dit leidt ertoe dat het maximale IQ bij mensen boven de 18 geen 145 maar 140 is. Dat is ruim boven de grens van 130 die wel wordt gehanteerd om "zeer begaafd" of 'hoogbegaafd' aan te duiden, dus het zal in de praktijk voor weinig problemen zorgen.

3 Wat zijn argumenten om de SON-R 6-40 te verkiezen boven de WISC?
Met de WISC-III en IV correleert de SON-R 6-40 hoog (correlatie van .80), waaruit blijkt dat deze tests goed vergelijkbaar zijn. De SON-R 6-40 is echter veel korter en kan binnen een uur worden afgenomen, terwijl de WISC-III al snel anderhalf uur duurt. Beide tests hebben ook een ongeveer even hoge relatie met taal en rekenen op school.
De WISC-III heeft een voldoende normering, maar scoort in het oordeel van de COTAN beduidend lager (3x goed, 3x voldoende, 1x onvoldoende tegenover 6x goed en 1x voldoende). Bovendien doet de WISC-III een beroep op taal, waardoor deze test geen eerlijk beeld van de intelligentie geeft bij kinderen met ontwikkelings- of communicatieproblemen en bij anderstalige kinderen. De SON-R 6-40 heeft dit nadeel niet.
Concluderend kan gezegd worden dat het beide tests zijn voor de algemene intelligentie van kinderen, maar dat de SON-R 6-40 in veel minder tijd kan worden afgenomen en vooral beter geschikt is bij kinderen met taal- of communicatieproblemen.

4 Wat is de COTAN-beoordeling van de SON-R 6-40?
De COTAN heeft de SON-R 6-40 als volgt beoordeeld:
* Voor de leeftijdsgroep 18-40 jaar is het oordeel "voldoende" omdat voor die leeftijdsgroep minder validiteitsonderzoek beschikbaar is dan voor de groep van 6-17 jaar.

5 Waarin verschilt de SON-R 6-40 van de WNV?
Er zijn zowel overeenkomsten als verschillen tussen de nieuwe SON-R 6-40 en de Wechsler Non Verbal (WNV-NL). Het zijn beide niet-verbale intelligentietests, en uit onderzoek blijkt dat uitkomsten op beide tests redelijk hoog correleren (r = .78).
Het belangrijkste verschil tussen beide tests is dat bij de afname van de SON wel gesproken kan worden (hoewel het niet nodig is). Bij de WNV verloopt de gehele afname door middel van pictogrammen. Hierdoor is de testsituatie bij de SON natuurlijker dan bij de WNV.
Een ander verschil is dat de subtests van de WNV onderling sterk verschillen, terwijl de subtests van de SON meer samenhang vertonen. Dit maakt de ene test niet perse slechter dan de andere, maar het zorgt wel dat de totaalscore van de SON gebaseerd is op een duidelijker afgebakende set begrippen dan die van de WNV.
Uit onderzoek is verder gebleken dat de uitkomsten op de WNV weinig verschillen van de uitkomsten bij de oude SON-R 5½-17. Dit is opvallend, aangezien de normen van de SON-R 5½-17 inmiddels als verouderd zijn beoordeeld. Dit lijkt erop te wijzen dat de WNV in sommige gevallen een te hoge score oplevert.
De SON-R 6-40 is in september 2011 verschenen en heeft dus actuele normen.
Een laatste verschil is de grotere leeftijdsrange van de SON-R 6-40: deze is genormeerd t/m 40 jaar. Dat is een groter leeftijdsbereik dan de normen van de WNV, die tot 21 jaar lopen.
Verwijzingen naar de onderzoeken waarover hier gesproken wordt zijn te vinden elders op onze website en via de website van de auteurs van de SON-R tests.

Vragen over de SON-R 2-8 niet-verbale intelligentietest

1 Wat is het verschil met de oude SON-R 2½-7?
De SON-R 2-8 verschilt van de SON-R 2½-7 op de volgende punten:

  • De normen zijn geactualiseerd
  • Plaatjes van Categorieën zijn minder cultuurgevoelig
  • Materialen aantrekkelijker door meer gebruik van kleur
  • Moeilijkheidsopbouw verbeterd met nieuwe items
  • Subtestvolgorde aangepast

2 Als ik de scores met de hand uitreken verschillen deze soms een heel klein beetje van de scores die uit het scoreprogramma komen.
Dit kan inderdaad gebeuren. De SON-R 2-8 maakt gebruik van continue normering. De scores in de handleiding zijn afgerond, terwijl het scoreprogramma de onafgeronde scores optelt. Hierdoor kunnen er soms kleine verschillen voorkomen. We raden altijd aan om het scoreprogramma te gebruiken aangezien deze dus nauwkeuriger is.

3 Is verkorte afname een optie? En welke waarde mag je dan hechten aan de standaardscores van losse subtests?
Een verkorte vorm is bij de SON-R tests goed mogelijk, omdat voor elke combinatie van subtests genormeerde totaalscores kunnen worden berekend met informatie over betrouwbaarheid en generaliseerbaarheid.
Het probleem bij de interpretatie van de uitkomst op een los onderdeel is, dat je niet weet in hoeverre je de uitkomst kunt generaliseren naar een breder domein van vaardigheden. De verschillende subtests hebben vooral waarde omdat de totale uitkomst het gemeenschappelijke van de verschillende onderdelen weergeeft.

4 Het scoreprogramma geeft alleen maar gemiddelde scores.
Iemand die het programma in een andere map plaatst, moet ook de map 'Language', het bestand SON.ico en het bestand Z_ScoreList.txt in diezelfde map plaatsen. (4 bestanden dus)
Vervolgens kan er een snelkoppeling naar het programma gemaakt worden en moet het programma zonder problemen werken.

Algemene vragen over SON-R tests

1 De gegevens in de rapportage van het SON-programma worden niet goed weergeven. Wat nu?
Op de meeste computers zal het scoringsprogramma van de SON-tests vanzelf correct werken. Een enkele keer moeten de beeldscherminstellingen echter worden aangepast.
Kies in het "configuratiescherm" voor Beeldscherm en zorg dat de grootte overal ingesteld staat op 100% en niet op 125%. Door vervolgens de computer en het programma opnieuw op te starten zou het probleem verholpen moeten zijn.
Soms staat de beeldschermgrootte niet als percentage maar als pixelfrequentie weergegeven. In dat geval moet deze overal ingesteld staan op 96dpi, in plaats van op 120 dpi.

2 Kan ik het SON-R scoringsprogramma op meerdere computers installeren?
Ja.
Het scoringsprogramma is ongelimiteerd te gebruiken en kunt u zo vaak (her)installeren als u wilt.

3 Hoe moet ik omgaan met het Flynn-effect? Indicatiecommissies gaan nog vaak uit van ongecorrigeerde IQ-scores
Vermeld de ongecorrigeerde scores en geef daarnaast de score en het bijbehorende generaliseerbaarheidsinterval waarbij wel rekening is gehouden met het Flynn-effect.

4 Welke SON moet ik gebruiken bij kinderen van 7 jaar?
Voor de leeftijd van 7 jaar zijn zowel de SON-R 2-8 als de SON-R 6-40 geschikt. Voor kinderen die duidelijk minder begaafd zijn heeft de SON-R 2-8 de voorkeur; voor hoogbegaafde 7-jarigen heeft de SON-R 6-40 de voorkeur.
Verder kan bijvoorbeeld de groep kinderen waarmee men het kind wil vergelijken invloed hebben op de keuze, of de meer recente normering van de SON-R 2-8.

5 Wanneer besluit ik tot herhaling van de SON-R?
Een herhaling is zinvol als je verwacht dat dit nieuwe informatie geeft. Bijvoorbeeld wanneer er twijfel is over de juistheid van de uitkomst bij de eerste afname.
Een sterk disharmonisch profiel zou daar aanwijzing voor kunnen zijn, alsook slechte testcondities of een slechte conditie van het kind. Ook is herhaling zinvol als verwacht mag worden dat de vaardigheden van het kind veranderd zijn, bv. als gevolg van therapie of andere interventies.
In het algemeen raden we een tussenperiode aan van tenminste een jaar.

6 Hoe interpreteer ik een discrepantie tussen PS en RS en mag ik dan wel een totaalscore hanteren? Wat als er sprake is van een disharmonisch profiel binnen PS of RS?
Een discrepantie tussen PS en RS geeft aan dat er een verschil is in prestatie tussen de performale (meer ruimtelijke) taken en de redeneertaken. Als deze discrepantie consistent is over de subtests kun je verwachten dat dit ook tot uiting zal komen bij andere taken die vooral met het performale- dan wel redeneeraspect te maken hebben.
Evengoed blijft de totaalscore zijn waarde houden als een indruk van de gemiddelde prestatie (waarbij dan de kanttekening kan worden gemaakt dat er verschil is tussen beide type taken).
Overigens is het verschil tussen PS en RS niet heel stabiel; dit pleit voor terughoudendheid bij de interpretatie. Hetzelfde geldt natuurlijk extra sterk wanneer de verschillen binnen de schalen weinig consistent zijn.

7 Wanneer is er reden voor doorverwijzing voor neuropsychologisch onderzoek of voor visusonderzoek? En wat adviseer ik de ouders/school?
De testuitkomst zal op zichzelf geen reden zijn voor doorverwijzing. Mogelijk wel de observaties bij de afname, of de testuitkomsten in combinatie met andere gegevens.
Adviezen voor ouders/school zijn afhankelijk van de context waarin is getest, de vraagstelling en de overige gegevens van het kind.

8 Wat is het verschil tussen de concrete en abstracte redeneertests (Situaties en Analogieën/Categorieën)?
Bij de concrete redeneertests is sprake van een relatie die plaats- en/of tijdgebonden is. Bij de abstracte redeneertests is dit niet het geval. Uit onderzoek blijkt echter dat het gaat om een relatief zwak onderscheid.

9 Is er een verschil in te meten vaardigheid tussen het eerste en het tweede deel van de subtest Situaties? En in hoeverre speelt inzicht in sociale situaties hierbij een rol?
Het is heel moeilijk om vast te stellen of je bij een 3-jarige wel hetzelfde aan het meten bent als bij een 6-jarige. De onderdelen van het eerste en tweede deel hebben echter wel een duidelijke verwantschap. Voor beide delen geldt ook dat het kind oog moet hebben voor zijn omgeving.

Vragen over de d2 Aandachts- en concentratietest

1 Hoe komt het dat de grafiek en de tekst in het rapport van het scoringsprogramma soms van elkaar verschillen?
In het testrapport wordt onderaan de pagina een interpretatie gegeven van de behaalde resultaten.  Daarbij kan het voorkomen dat de stip in de grafiek binnen het gemiddelde gedeelte staat, terwijl de tekst ernaast van onder/boven gemiddeld spreekt.
Dit komt doordat in de tekst alle T-scores onder de 50 beneden gemiddeld zijn, en alle T-scores boven de 50 boven gemiddeld. In de grafiek wordt echter de gangbare interpretatie van T-scores gebruikt, waarbij alle scores tussen de 40 en 60 'gemiddeld' heten.
In het geval van een verschil tussen de grafiek en de tekst adviseren wij daarom uit te gaan van de grafiek.
Bij de d2-R wordt een iets andere interpretatie gehanteerd. Hierbij heten alle T-scores tussen de 45 en de 55 'gemiddeld'. 

2 Wat voor scores worden er gerapporteerd in de resultaten van het scoringsprogramma?
De ruwe scores worden door het scoringsprogramma omgerekend naar T-scores.

3 Wat is het verschil tussen de d2 en de d2-R?
De d2-R is de digitale variant van de d2, maar wijkt op een aantal punten af. Deze heeft namelijk langere stimulus-regels met 60 in plaats van 47 stimuli. Ook heeft de d2-R eigen normen.

Vragen over de BRIEF vragenlijsten

1 Executieve functies bij 5-jarigen: BRIEF of BRIEF-P?
De ontwikkeling van de executieve functies is een langdurig proces, dat doorloopt tot in de jongvolwassenheid. Peuters en kleuters beschikken over basale vormen van executieve functies, zoals het vermogen om korte tijd de aandacht vast te houden, een beperkte hoeveelheid informatie te onthouden en (tot op zekere hoogte) impulsen te onderdrukken. Naarmate kinderen ouder worden kunnen zij zich steeds beter aanpassen aan hun omgeving en leren daarbij emoties en gedrag te reguleren.
De BRIEF-P is ontwikkeld om die executieve functies in kaart te brengen, die bij peuters en kleuters al meetbaar zijn. Zo worden er wel vragen gesteld over bijvoorbeeld inhibitie en emotieregulatie, maar bijna niet over gedragsevaluatie. Ook bij de formulering van de items is specifiek naar gedrag gevraagd dat kenmerkend is voor peuters en kleuters.
Hieruit volgt dat voor het vaststellen van de executieve functies van een vijfjarige over het algemeen het beste de BRIEF-P kan worden gebruikt. De vragen en uitkomsten hiervan zijn het meest specifiek voor deze leeftijds-categorie.
Het kan echter voorkomen dat er problemen zijn die specifiek op school voorkomen. In dat geval is het goed om de BRIEF leerkracht-vragenlijst af te nemen; van de BRIEF-P is alleen een vragenlijst voor ouders beschikbaar. Wanneer ervoor gekozen wordt om de leerkrachtvragenlijst te laten invullen, verdient het de voorkeur om ook de ouders de BRIEF (in plaats van de BRIEF-P) voor te leggen. Op die manier zijn de beoordelingen door de leerkracht en de ouders het beste te vergelijken.

2 Waarom lopen de normen van de Leerkrachtvragenlijst maar tot en met 11 jaar?
Bij het verschijnen van de nieuwe BRIEF normen in juni 2012 is ervoor gekozen de Leerkrachtnormen van 5 tot en met 11 jaar te laten lopen. Het bleek dat leerkrachten in het voortgezet onderwijs een minder duidelijk beeld hebben van het executief functioneren van hun leerlingen. Waarschijnlijk doordat zij minder uren per week contact hebben met hun leerlingen.
Tegelijk met de nieuwe normen is de BRIEF Zelfrapportage verschenen, geschikt voor jongeren van 11 tot en met 17 jaar. Hiermee zijn er voor elke leeftijdsgroep twee varianten van de BRIEF beschikbaar.

3 Hoe interpreteer ik T-scores van 60 of hoger?
Voor alle schalen en indices van de BRIEF-vragenlijsten geldt:

  • Een T-score lager dan 60 kan als normaal getypeerd worden.
  • Een T-score tussen 60 en 65 kan beschouwd worden als subklinisch: hoewel de score niet direct klinisch relevant hoeft te zijn, vormt het wel degelijk een aandachtsgebied voor de clinicus (en bij de behandeling dient er met deze gebieden dus wel rekening gehouden te worden).
  • Een T-score van 65 of hoger wijkt kan geclassificeerd worden als klinisch: een score in dit gebied wijkt dusdanig af van de gemiddelde score in de normgroep, dat met een dergelijke score (potentiële) klinische relevantie wordt aangeduid. Bij schalen en indices met deze scores dient de clinicus op basis van de analyse van de individuele items na te gaan welke situaties verhoogde itemscores opleveren. Hier kan vervolgens in de behandeling rekening mee gehouden worden.

4 Ik voldoe niet aan het kwalificatieniveau maar wil wel graag de executieve functies van een kind meten.
In dat geval raden we aan om de BRIEF Screener te gebruiken. De BRIEF Screener is ontwikkeld voor gebruik in onderwijs en gezondheidszorg, maar kan ook in wetenschappelijk onderzoek worden gebruikt. De BRIEF Screener kan gebruikt worden om een globaal beeld te krijgen, maar aanvullend onderzoek (met bijvoorbeeld de BRIEF) is vereist om de specifieke sterke en zwakke kanten vast te stellen.

Vragen over de SCIL - Screener voor intelligentie en licht verstandelijke beperking

1 Executieve functies bij 5-jarigen: BRIEF of BRIEF-P?
De ontwikkeling van de executieve functies is een langdurig proces, dat doorloopt tot in de jongvolwassenheid. Peuters en kleuters beschikken over basale vormen van executieve functies, zoals het vermogen om korte tijd de aandacht vast te houden, een beperkte hoeveelheid informatie te onthouden en (tot op zekere hoogte) impulsen te onderdrukken. Naarmate kinderen ouder worden kunnen zij zich steeds beter aanpassen aan hun omgeving en leren daarbij emoties en gedrag te reguleren.
De BRIEF-P is ontwikkeld om die executieve functies in kaart te brengen, die bij peuters en kleuters al meetbaar zijn. Zo worden er wel vragen gesteld over bijvoorbeeld inhibitie en emotieregulatie, maar bijna niet over gedragsevaluatie. Ook bij de formulering van de items is specifiek naar gedrag gevraagd dat kenmerkend is voor peuters en kleuters.
Hieruit volgt dat voor het vaststellen van de executieve functies van een vijfjarige over het algemeen het beste de BRIEF-P kan worden gebruikt. De vragen en uitkomsten hiervan zijn het meest specifiek voor deze leeftijds-categorie.
Het kan echter voorkomen dat er problemen zijn die specifiek op school voorkomen. In dat geval is het goed om de BRIEF leerkracht-vragenlijst af te nemen; van de BRIEF-P is alleen een vragenlijst voor ouders beschikbaar. Wanneer ervoor gekozen wordt om de leerkrachtvragenlijst te laten invullen, verdient het de voorkeur om ook de ouders de BRIEF (in plaats van de BRIEF-P) voor te leggen. Op die manier zijn de beoordelingen door de leerkracht en de ouders het beste te vergelijken.

2 Waarom lopen de normen van de Leerkrachtvragenlijst maar tot en met 11 jaar?
Bij het verschijnen van de nieuwe BRIEF normen in juni 2012 is ervoor gekozen de Leerkrachtnormen van 5 tot en met 11 jaar te laten lopen. Het bleek dat leerkrachten in het voortgezet onderwijs een minder duidelijk beeld hebben van het executief functioneren van hun leerlingen. Waarschijnlijk doordat zij minder uren per week contact hebben met hun leerlingen.
Tegelijk met de nieuwe normen is de BRIEF Zelfrapportage verschenen, geschikt voor jongeren van 11 tot en met 17 jaar. Hiermee zijn er voor elke leeftijdsgroep twee varianten van de BRIEF beschikbaar.

3 Hoe interpreteer ik T-scores van 60 of hoger?
Voor alle schalen en indices van de BRIEF-vragenlijsten geldt:

  • Een T-score lager dan 60 kan als normaal getypeerd worden.
  • Een T-score tussen 60 en 65 kan beschouwd worden als subklinisch: hoewel de score niet direct klinisch relevant hoeft te zijn, vormt het wel degelijk een aandachtsgebied voor de clinicus (en bij de behandeling dient er met deze gebieden dus wel rekening gehouden te worden).
  • Een T-score van 65 of hoger wijkt kan geclassificeerd worden als klinisch: een score in dit gebied wijkt dusdanig af van de gemiddelde score in de normgroep, dat met een dergelijke score (potentiële) klinische relevantie wordt aangeduid. Bij schalen en indices met deze scores dient de clinicus op basis van de analyse van de individuele items na te gaan welke situaties verhoogde itemscores opleveren. Hier kan vervolgens in de behandeling rekening mee gehouden worden.

4 Ik voldoe niet aan het kwalificatieniveau maar wil wel graag de executieve functies van een kind meten.
In dat geval raden we aan om de BRIEF Screener te gebruiken. De BRIEF Screener is ontwikkeld voor gebruik in onderwijs en gezondheidszorg, maar kan ook in wetenschappelijk onderzoek worden gebruikt. De BRIEF Screener kan gebruikt worden om een globaal beeld te krijgen, maar aanvullend onderzoek (met bijvoorbeeld de BRIEF) is vereist om de specifieke sterke en zwakke kanten vast te stellen.

Testgebruik en kwalificatieniveaus

1 Wat is het verschil tussen T-scores en percentielscores?
De uitkomsten van tests worden vaak omgezet naar T-scores of percentielen. Hoewel ze voor een vergelijkbaar doel gebruikt worden, zijn dit twee heel verschillende maten. Hierover bestaat nog wel eens verwarring.
Om de uitkomsten van een test of vragenlijst te kunnen interpreteren, moeten de behaalde scores eerst worden omgescoord. De scores alleen optellen is niet genoeg: je kunt de uitkomst op een schaal met veel vragen dan niet vergelijken met een schaal met weinig vragen. Bovendien gaat het bij de meeste tests niet om de absolute hoogte van de score, maar om het resultaat ten opzichte van andere mensen. Daarom worden er normgegevens verzameld. Door de test bij een groot aantal mensen uit een groep af te nemen, kan er een frequentieverdeling voor de scores worden gemaakt: je stelt voor elke score vast hoeveel mensen uit de groep die score behalen. Om vervolgens van een specifieke kandidaat aan te geven waar zijn score op de frequentieverdeling ligt, kun je percentielen of T-scores gebruiken.

Percentielen: Met percentielen wordt aangegeven hoeveel procent van de mensen in de normgroep een score had die gelijk aan of lager dan die van de kandidaat was. Stel bijvoorbeeld dat een kandidaat een ruwe score van 15 haalt en dit correspondeert in de normgroep met percentiel 80, dan betekent dit dat 80 procent van de normgroep een score had van 15 of lager.
Bij een ‘normaal verdeelde’ normgroep halen veel mensen een score die rond het gemiddelde ligt, terwijl relatief weinig mensen een heel hoge of lage score halen. Dit heeft tot gevolg dat veel van de percentielscores dicht bij de gemiddelde score liggen; daardoor zijn alleen de heel hoge of lage percentielen interessant. Het gevolg is ook dat de afstand tussen percentielen niet altijd hetzelfde betekent.

T-scores: Een T-score is een gestandaardiseerde score met een gemiddelde van 50 en een standaardafwijking van 10. T-scores komen ook voort uit de frequentieverdeling van de normgroep, maar hebben als voordeel dat ze zich als een ‘intervalschaal’ gedragen: het verschil tussen bijvoorbeeld T-score 30 en 35 is even groot als het verschil tussen 45 en 50, en de helft van het verschil tussen 60 en 70.

Over het algemeen worden T-scores tussen de 40 en de 60 als gemiddeld gezien, T-scores tussen 30 en 40 en 60 en 70 als beneden/boven gemiddeld en T-scores van 30 of lager en 70 of hoger als laag/hoog. Dit kan per test verschillen; uiteindelijk is het de psycholoog die beoordeelt hoe een score geïnterpreteerd moet worden.

2 Is goedkeuring van de COTAN verplicht?
Vaak krijgen wij van klanten de vraag of een test is goedgekeurd door de COTAN, omdat dat verplicht zou zijn. Aan die vraag zitten twee kanten: wat is een COTAN-goedkeuring en bestaat er een wettelijke verplichting om bepaalde tests te gebruiken?
De COTAN keurt tests niet goed of af. Wel beoordeelt de COTAN de kwaliteit van tests op zeven criteria: theoretische achtergrond, kwaliteit van het testmateriaal, kwaliteit van de handleiding, normen, betrouwbaarheid, begripsvaliditeit en criteriumvaliditeit. Het doel hiervan is om testgebruikers te helpen bij het kiezen van een instrument. Een psycholoog kan goede redenen hebben om een test te gebruiken die op één of meerdere onderdelen onvoldoende scoort, bijvoorbeeld omdat er geen ander instrument beschikbaar is of omdat het als onvoldoende beoordeelde aspect (zoals normering) in een bepaald geval minder relevant is.

3 Wanneer en door wie kunnen de tests van Hogrefe gebruikt worden?
Tests en vragenlijsten worden veelal gebruikt om beslissingen over mensen te onderbouwen. Bijvoorbeeld beslissingen over een diagnose, over een behandeling, over geschiktheid voor een baan. Wie daar een test bij gebruikt moet dat uiterst zorgvuldig doen. Zowel de testauteur, de uitgever als de gebruiker hebben daar een rol in.
Voor professionele richtlijnen omtrent testgebruik verwijzen we graag naar de Standaard Testgebruik zoals het NIP die heeft vastgesteld.
We gaan ervan uit dat de gebruikers van tests en vragenlijsten moeten beschikken over voldoende professionele kennis over het gebruik en de interpretatie van psychologische tests. Bij iedere test staat vermeld wat het bijbehorende kwalificatieniveau is. Wanneer u voor het eerst een test met kwalificatieniveau B (zie onder) bestelt, dient u vast te leggen dat u voldoende gekwalificeerd bent.
Wij aanvaarden geen enkele aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van het gebruik van de tests of van handelen of nalaten dat is gebaseerd op informatie die met behulp van tests is verkregen.

4 Wat houdt het kwalificatieniveau in?
Om u te ondersteunen in uw afweging, of u voldoende gekwalificeerd bent voor een bepaalde tests onderscheiden we twee kwalificatieniveaus. In onze productinformatie vermelden we welk kwalificatieniveau nodig is bij iedere test.

NIVEAU A Geen specifieke opleidingseisen. In het algemeen van toepassing bij schooltoetsen, interessetests en bepaalde screeningsvragenlijsten.

NIVEAU B Ruime kennis van testconstructie, toepassing en interpretatie. Verkregen door

  • een master of doctoraal psychologie, (ortho)pedagogiek, bij voorkeur met aantekening diagnostiek
  • een bachelor toegepaste psychologie (hbo), mits in de opleiding ruime ervaring is opgedaan met afname en interpretatie van psychologische tests
  • afgeronde opleiding tot psychiater
  • andere opleidingen en werkervaring die tot dit kennis- en ervaringsniveau leiden

Over het algemeen is niveau B van toepassing voor persoonlijkheidsvragenlijsten, intelligentiemeting, paramedische tests en neuropsychologische diagnostiek.

Heeft u vragen?

Hogrefe Uitgevers BV

Contact
Address
Weteringschans 128
1017 XV  Amsterdam
Nederland

Digitaal testen

Contact
Address
HTS Helpdesk
Weteringschans 128
1017 XV  Amsterdam
Nederland