Paniekstoornis, vliegangst

Arlen Hoebergen

Mijn eerste paniekaanval kreeg ik tijdens een vlucht van Amsterdam naar Madrid, in 2000. Mijn vrouw en ik vlogen naar Guatemala, voor een reis van drie maanden door Midden-Amerika. In Madrid moesten we overstappen. Ik heb vaker last van reisziekte, neem daartegen vaak een pilletje. Maar toen voelde ik me zoveel beroerder, het zweet gutste over mijn hoofd. Op een gegeven moment zag ik alleen nog een heel klein tunneltje. Mijn vrouw waarschuwde een stewardess, die gaf me een grog van citroen en suiker. Na een kwartier kwam mijn gezichtsvermogen langzaam terug.

Een paniekaanval is enorm vermoeiend, zuigt alle energie uit je lichaam. De vervolgvlucht heb ik grotendeels geslapen. De terugreis verliep gelukkig ook zonder problemen. Bij thuiskomst ben ik met deze klachten naar de huisarts gegaan, maar die kon geen diagnose meer stellen. Sindsdien is mijn grootste angst dat ik weer zo ziek word als op die vlucht naar Madrid. Die ervaring en bijbehorende gevoelens van machteloosheid, hulpeloosheid en zwakte wil ik niet nogmaals beleven.

Ik werk bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Toen ik een paar jaar terug voor mijn werk twee weken naar de Antillen zou gaan, manifesteerde de angst zich plots in alle hevigheid. Ik stond ermee op en ging ermee naar bed. Haalde ik thuis een komkommer uit de koelkast om een salade te maken, dan dacht ik: verrek, die komkommer is net een vliegtuig. Ik wilde me zelfs voor een auto gooien in de hoop mijn been te breken. Dan had ik tenminste een goed excuus, zou ik geen gezichtsverlies lijden. Stond ik mezelf toe te denken dat ik niet zou gaan, dan verdween die spanning. Maar de doemscenario’s overheersten. Hotel en vliegreis waren al betaald, ik moest maar wat oxazepam nemen. Je gaat invullen wat anderen over je zullen denken. Uiteindelijk besloot ik open kaart te spelen en dat was het beste wat ik kon doen. Mijn leidinggevende en collega’s reageerden zo begripvol. Ik werd helemaal niet afgerekend op mijn zwakte, integendeel! Uiteindelijk ben ik niet naar de Antillen gegaan, maar ik heb me ook geen dag ziek gemeld.

Als ik ziek word in het vliegtuig, dan voel ik mij het zwakke jongetje dat ik niet wil zijn

Ik ging in therapie bij een psychologe. Toen ontstond het idee een boek te schrijven en begin 2018 verscheen Ik heb vliegangst. Diagnose: paniekstoornis. Pontificaal op de cover staat ook: ‘Over een jongetje dat gepest werd’. Dat heb ik lang weggedrukt, maar heel veel van mijn angst is te herleiden naar dat pesten in mijn jeugd. Ik sloeg niet van me af, was een makkelijk slachtoffer. Ik heb mezelf aangeleerd mijn zwakte niet te tonen. Daarom heb ik het liefst alles onder controle. Als ik ziek word in het vliegtuig, is die controle weg. Dan voel ik mij het zwakke jongetje dat ik niet wil zijn. Onderschat niet wat pesten voor impact heeft op je
latere leven.

Mijn diagnose heb ik ervaren als een enorm stigma, vooral omdat het een psychische ziekte is. Als het hartklachten waren geweest, was ik minder geschrokken. Nu vertrouw ik mijn hoofd niet meer helemaal. Bij aanvang van de therapie zag ik twee uitersten voor me. Of ik stap in no time weer fluitend het vliegtuig in, of ik word gek en beland in een psychiatrische inrichting. Iets wat in je hoofd zit is enger, dat lijkt iedereen te denken.

Maar je kunt leren omgaan met een paniekstoornis. Een paniekstoornis is een strijd die je levert, telkens weer. De crux is die strijd los te laten en de situatie te accepteren zoals zij is. Als je kunt zeggen “laat het maar gebeuren, ik overleef het wel”, dan ben je er feitelijk van af. Zo ver ben ik nog niet, maar het afgelopen jaar heb ik weer een aantal korte vluchten gemaakt, oxazepam bij de hand. En dit jaar vloog ik met mijn vrouw naar Amerika. Vooraf liep de spanning weer hoog op, maar de vlucht zelf viel erg mee. Ik heb maar één oxazepam geslikt.’

Meer interessante portretten lezen?