Casus: hangen de klachten van Jan samen met persoonlijkheidsproblematiek?

Persoonlijkheidsstoornissen worden doorgaans beschreven aan de hand van een aantal specifieke kenmerken, die een continuüm vormen met de normale variatie in persoonlijkheidseigenschappen. Het onderscheid tussen normale en klinisch afwijkende niveaus van persoonlijkheidskenmerken is dan ook eerder kwantitatief dan kwalitatief van aard. In de casus van Jan wordt toegelicht hoe de DAPP-BQ kan worden ingezet bij het in kaart brengen van klinisch relevante persoonlijkheidstrekken.

Jan (56 jaar) is getrouwd, heeft één zoon, en is al jaren werkzaam bij een grote onderneming. Hij beschouwt zichzelf als een consciëntieus, betrouwbaar medewerker, maar heeft het gevoel dat hij door zijn werkgever niet echt gewaardeerd wordt. Jan beschrijft zichzelf als iemand die zich veel zorgen maakt en geeft aan dat hij voortdurend tobt en piekert, ook over zaken van ondergeschikt belang waar anderen zich niet druk over maken. Op een gegeven moment krijgt Jan last van depressieve klachten en angstklachten. De depressiesymptomen zijn somberheid, concentratiestoornissen, gedachten aan zelfmoord, gebrek aan eetlust, gewichtsverlies en slaapproblemen. De angstsymptomen zijn onder meer gevoelens van onrust en spanning. De laatste weken zijn de klachten verergerd en zo ernstig geworden dat Jan zelfs niet meer in staat is om alledaagse activiteiten op een normale manier uit te voeren. Een klinische beoordeling leidt tot de diagnose van een ernstige depressieve episode en een gegeneraliseerde-angststoornis. De gegeneraliseerde-angststoornis is in de laatste dertig jaar steeds opnieuw teruggekeerd, en het is maar zelden voorgekomen dat Jan zich geen zorgen maakte.

Om inzicht te krijgen in de persoonlijkheidsfactoren die mogelijk bijdragen aan de vatbaarheid voor stemmings- en angststoornissen en de ondervonden interpersoonlijke problemen op het werk, wordt aan Jan gevraagd om de DAPP-BQ in te vullen.

Binnen het domein Emotionele disregulatie heeft Jan hoge scores behaald voor Zorgelijkheid, Affectieve labiliteit, Cognitieve vervorming, Onderdanigheid en Sociale vermijding. Zorgelijkheid en Affectieve labiliteit werken het ontstaan van stemmings- en angststoornissen en andere psychische problemen in de hand. Jan is zelden geheel vrij van zorgen en angst, omdat hij een kwetsbare persoonlijkheid heeft. Door het hoge niveau van Zorgelijkheid voelt hij zich voortdurend bedreigd en maakt hij zich ononderbroken zorgen over mogelijke negatieve gebeurtenissen in de toekomst. De problemen worden verergerd door een neiging tot catastroferend denken en tot piekeren over ervaringen in het verleden en mogelijke gebeurtenissen in de toekomst. Het hoge niveau van Affectieve labiliteit wijst erop dat Jan vatbaar is voor plotselinge stemmingswisselingen en instabiliteit van emoties. De prikkelbaarheid die met Affectieve labiliteit gepaard gaat draagt waarschijnlijk bij tot het ontstaan van interpersoonlijke problemen. Deze combinatie van emotiegerelateerde trekken lijkt een kern van kwetsbaarheid te vormen die een deel van de verklaring vormt voor zijn aanhoudende psychische problemen. De hoge score voor Cognitieve vervorming geeft aan dat Jan geneigd is intense emotionele stress en dysforie te ontwikkelen wanneer hij moeite heeft om zijn gedachten te ordenen en problemen helder onder ogen te zien. Dit komt doordat de gebruikelijke mechanismen voor informatieverwerking en de normale denkprocessen snel overbelast raken als gevolg van een te veel aan intense emoties; de emotionele stress zal dan toenemen doordat de cognitieve emotieregulatie gestoord is.

De hoge score voor Compulsiviteit duidt erop dat Jan gesteld is op structuur en organisatie. Deze trek is in de werksituatie vermoedelijk als een waardevolle eigenschap te beschouwen. Het werk van Jan vereist oog voor detail en een voorkeur voor een methodische aanpak. Die eigenschappen hebben er waarschijnlijk toe bijgedragen dat Jan ondanks alle problemen zijn baan heeft kunnen behouden. Het hoge niveau van Compulsiviteit zou ook een pluspunt voor de behandeling kunnen zijn: aangenomen mag worden dat Jan behandelafspraken stipt zal nakomen en zich zal houden aan de voorschriften van het behandelplan. In tijden van stress en in crisissituaties kan de gebleken compulsiviteit echter tot een hoger niveau van Zorgelijkheid leiden, doordat Jan de angst kan ontwikkelen de controle te verliezen en niet aan de verwachtingen te kunnen voldoen.

Het persoonlijkheidsprofiel geeft ook aan dat Jan problemen heeft op het niveau van sociale interactie. Hij heeft een tamelijk hoge score voor Sociale vermijding, wat erop duidt dat hij introvert is en gesteld is op alleen-zijn. De hoge score voor Geslotenheid komt overeen met het niveau van Sociale vermijding. Jan toont niet veel emoties, wat ertoe kan leiden dat anderen het niveau van stress en de ernst van de stemminggerelateerde symptomen mogelijk zullen onderschatten. Zijn geslotenheid kan ook een rol spelen bij het ontstaan van interpersoonlijke problemen. Mensen hebben moeite met de interactie met gesloten personen, die zij vaak als afstandelijk en teruggetrokken ervaren. In nauwe relaties zullen al snel problemen ontstaan omdat betekenisvolle anderen zich buitengesloten voelen en niet goed weten hoe zij moeten reageren of hulp of steun moeten bieden. Dit lijkt een wezenlijk probleem te zijn, aangezien Jan ook hoog scoort op onderdanigheid. Dit betekent dat hij vermoedelijk sterk afhankelijk is van de mensen om hem heen, terwijl hij er tegelijkertijd moeite mee heeft hen in vertrouwen te nemen. Deze combinatie van trekken duidt erop dat conflicten in relaties waarschijnlijk een probleem zullen blijven.

Overweegt u om de DAPP-BQ aan te schaffen? Dan kunnen we u eenmalig een digitale proefafname ter inzage aanbieden. Stuur hiervoor een mail naar advies(at)hogrefe.nl en ontvang een link om de vragenlijst online in te vullen.